BAR – bruto aanvangsrendement
Bruto jaarhuur ÷ totale investering (koopsom + kosten koper)
Een snelle eerste toets: wat levert het pand bruto op ten opzichte van wat je erin stopt? Voor woningen ligt de BAR vaak tussen 4% en 6%, voor bedrijfsvastgoed hoger.
Voorbeeld: € 19.800 ÷ € 383.000 = 5,2%
NAR – netto aanvangsrendement
(Bruto huur − exploitatiekosten) ÷ totale investering
Eerlijker dan de BAR, omdat de kosten voor onderhoud, OZB, verzekering, beheer en VvE eraf gaan. Ligt je NAR onder de hypotheekrente, dan werkt lenen tegen je (negatieve hefboom).
Voorbeeld: € 15.444 ÷ € 383.000 = 4,0%
Rendement op eigen vermogen
(Netto huur − rente) ÷ eigen geld
Wat verdien je op het geld dat je zelf inlegt? Aflossing tellen we niet als kosten, want daarmee bouw je vermogen op.
Voorbeeld: (€ 15.444 − € 12.863) ÷ € 138.000 = 1,9%
IRR – totaalrendement
Het jaarlijkse rendement over alle kasstromen, inclusief verkoop
Neemt cashflow, aflossing, waardestijging en verkoopkosten mee over de hele looptijd. Daarmee vergelijk je vastgoed met andere beleggingen.
Voorbeeld: Bij 2,5% waardestijging en verkoop na 10 jaar: 6,2%
Kapitalisatiefactor
Koopsom ÷ bruto jaarhuur
Hoeveel jaar huur betaal je voor het pand? Een factor van 17 betekent dat de koopsom 17 keer de jaarhuur is. Hoe lager, hoe hoger het rendement.
Voorbeeld: € 350.000 ÷ € 19.800 = 17,7
ICR – rentedekkingsgraad
Netto huur ÷ rente per jaar
Belangrijk voor je bank: kan de huur de rente ruim betalen? Veel financiers willen minimaal 1,25 zien. Bij een hogere rente daalt je ICR en dus wat je kunt lenen.
Voorbeeld: € 15.444 ÷ € 12.863 = 1,20
DSCR – schulddienstdekking
Netto huur ÷ (rente + aflossing)
Als de ICR, maar dan inclusief aflossing. Relevant als je bank aflossing verplicht stelt.
Voorbeeld: Zonder aflossing gelijk aan de ICR
LTV – loan-to-value
Hypotheek ÷ waarde in verhuurde staat
Hoe hoog is je lening ten opzichte van de waarde? Bij beleggingspanden is 70% tot 80% gebruikelijk. Een lagere LTV geeft vaak een lagere rente.
Voorbeeld: € 245.000 ÷ € 350.000 = 70%